DE RINGEN VAN SATURNUS


"Smaismrmilmepoetalevmibunenugttaviras," schreef de beroemde Italiaanse sterrenkundige Galileo Galilei in 1610 aan zijn Duitse collega Johannes Kepler. Het lange woord was een letteromzetting, of anagram, dat was duidelijk. In een begeleidende brief schreef Galilei dat hij op deze wijze een ontdekking wilde vastleggen waarvan hij nog niet helemaal zeker was. Wat kon het lange woord betekenen? Kepler ging direct met de letters aan het schuiven. Na uren proberen vielen de woorden in elkaar: Salve umbistineum geminatum Martia proles! - Welkom, tweelingszonen van Mars! Had Galilei twee manen rondom Mars ontdekt?

Sinds 1877 weten we dat er inderdaad twee manen rondom Mars cirkelen. Maar voor zijn tijd had Kepler een l te vooruitziende blik. Want nog in hetzelfde jaar liet Galilei aan Kepler weten dat het anagram z moest worden gelezen: Altissimum planetam tergeminum observavi - Ik heb de buitenste planeet drievoudig gezien. De buitenste planeet: dat was in die tijd Saturnus. Ter weerszijden van Saturnus had Galilei lichtvlekken waargenomen. Alleen kwam hij nog niet op het idee dat dat de uitstekende delen van een ring konden zijn.

Pas in 1656 was het onze landgenoot Christiaan Huygens die als eerste besefte dat Saturnus een ring had. Maar ook hij was nog niet helemaal zeker van zijn zaak. Zijn ontdekking stelde hij eveneens veilig in de vorm van een anagram: aaaaaaa ccccc d eeeee g iiiiiii llll mm nnnnnnnnn oooo pp q rr s ttt uuuuu. De oplossing van het raadsel gaf Huygens drie jaar later in zijn boek Systema Saturnium. Zij luidde: Annulo cingitur, tenui plano, nusquam cohaerente, ad eclipticam inclinato - Omcirkeld door een ring, dun en plat, nergens rakend, onder een hoek met het verlengde vlak van de aardbaan.

Saturnus bleek een planeet te zijn als geen ander. Waren alle tot dan toe bekende planeten slechts bollen, Saturnus werd nog eens omringd door een dunne, platte schijf. Later bleek dat die schijf was opgesplitst in afzonderlijke ringen. Ook werd duidelijk dat het geen vaste ringen konden zijn, maar een verzamelingen van kleine, in n dun vlak rond de planeet draaiende ijs- en rotsblokjes.

Saturnus, met zijn majestueuze ringenstelsel, is vanouds waarnemingsobject nummer n voor iedereen die de sterrenhemel door een telescoop wil gaan bekijken. De ringen zijn niet altijd even mooi te zien, doordat het vlak van de ringen een hoek van 27 maakt met dat van onze aardbaan. Op verschillende tijden zien wij de ringen daardoor onder zeer verschillende hoeken. Eens in de gemiddeld 14,7 jaar zien we de ringen van opzij. Omdat ze niet veel meer dan 100 meter dik zijn, is hun lichtschijnsel dan te zwak om te kunnen worden waargenomen. In 1995/96 ging de aarde juist door het ringvlak. Toen zagen we de ringen als een dunne 'streep'. In 2003 zagen we de ringen maximaal 'geopend'. Nu gaan ze weer geleidelijk 'dicht, totdat we in 2009 weer opzij tegen ze aankijken.

Voor sterrenkundigen vormde de ringenloze Saturnus in 1995/96 een buitenkans! Als de ringen van opzij zijn te zien, of onverlicht zijn door de zon, weerkaatsen ze immers nagenoeg geen licht. Daardoor kunnen ook heel zwakke maantjes rond Saturnus worden waargenomen. Toen de aarde in 1966 door het ringvlak ging, werd bijvoorbeeld de lichtzwakke maan Janus ontdekt. Bij de daaropvolgende ringdoorgang, in 1980, werd Janus opnieuw gezien. Toen bleek dat hij een ingewikkelde baan deelde met het bijna even grote maantje Epimetheus. Iedere vier jaar ontmoeten beide manen elkaar, en wisselen dan onderling van baan.

Tijdens de vorige ringdoorgang in 1980 werden trouwens tientallen 'nieuwe' maantjes gerapporteerd. Dat leidde tot de nodige verwarring. Gelukkig konden al die waarnemingen worden gecontroleerd tijdens de fly-by's van Voyagers 1 en 2 in november 1980 en augustus 1981. Door die ruimtevaartuigen werden toen ook meer merkwaardige maantjes ontdekt, zoals de 'herdermaantjes' Prometheus en Pandora, die door hun zwaartekrachtswerking de dunne F-ring in een nauwe band drijven. Ook tijdens de ringendoorgang van 1995/96 werd gezocht naar nieuwe maantjes.

Toen de Hubble-telescoop een paar jaar geleden op Saturnus werd gericht, ging het nog niet eens zozeer op het ontdekken van nieuwe manen, maar om mogelijke verdichtingen in de ringen. In 2004 moest de onbemande ruimteverkenner Cassini immers dwars door de ringen vliegen. Gekozen was voor een route die tussen de F- en G-ring voerde, daarna rakelings over de brede C-ring en vervolgens verscheidene keren op en neer door de E-ring. Verder zocht Hubble naar anders niet waarneembare maantjes als Janus, Pandora en Epimetheus. Door dergelijke waarnemingen konden de banen van de maantjes beter worden bepaald.

Tekst: Carl Koppeschaar


Terug naar ASTROTEKST


Terug naar ASTRONOMIE
Terug naar ASTRONET's home page